Grafieken: Waarom er nog geen hyperinflatie is uitgebroken

Een stijgende geldhoeveelheid doet niets in de economie als burgers en bedrijven besluiten de hand op de knip te houden en als commerciële banken de kredietkraan dichtdraaien. Sterker nog, zo lang de hoeveelheid verstrekte kredieten door banken lager is dan de hoeveelheid aflossingen op bestaande bankkredieten, dan vindt er in feite ‘geldvernietiging’ plaats. De geldhoeveelheid krimpt een heeft een deflatoir effect op de economie.

Onderstaande grafieken komen uit een conferentie waarin verschillende centrale bankiers aan het woord komen. Eén van hen tovert een aantal interessante presentatieslides tevoorschijn, die Marketupdate graag met de lezers wil delen. De hele video van meer dan twee uur is de moeite van het kijken zeker waard, maar voor wie daar niet de tijd voor heeft volgt een korte toelichting bij vier grafieken..

1. Monetaire verruiming en extreem lage rente zorgen niet voor toename in bankkredieten

Ondanks het feit dat veel centrale banken hun balans opgeblazen hebben en de rente verlaagd hebben komt er nog steeds niet veel meer geld in de economie. Bedrijven en consumenten hebben minder behoefte om te lenen als de toekomstverwachting voor hun onderneming of voor hun baan minder zeker is. Daar komt nog eens bij dat de Basel III regels banken verplichten om meer eigen vermogen aan te houden. Richard Koo vertelt in zijn lezing dat het voor banken simpelweg interessanter is om te ‘deleveragen‘ (hoeveelheid vreemd vermogen op de balans afbouwen) dan om meer eigen vermogen aan te trekken via een aandelenemissie. Door meer aandelen uit te schrijven ontstaat verwatering, waardoor de return on equity (winst per aandeel) lager wordt.

Het gevolg is dat banken vandaag de dag niet naar hun volle potentieel uitlenen en dat er eerder sprake is van kredietcontractie (meer kredieten afgelost dan dat er nieuwe worden verstrekt). Onderstaande grafiek laat goed zien hoeveel geld er feitelijk in de economie circuleert. Dat aanbod is redelijk gelijk gebleven, waardoor er nog geen sprake is van de extreem hoge inflatie of zelfs hyperinflatie..

2. De kredietstroom in internationaal perspectief

De spaarzame mentaliteit van consumenten en het bedrijfsleven in Duitsland maakte een sterke kredietexpansie elders mogelijk. Duitse banken en pensioenfondsen beschikten over een grote hoeveelheid gespaard vermogen, een spaaroverschot dat gebruikt is om financiële activa in andere landen op te kopen. Zo kochten spaarders veel schulden op in de vorm van gestructureerde leningen (MBS, CDO, CLO) en financierden ze de schulden van perifere landen als Spanje, Portugal, Griekenland, Ierland enzovoort. Deze onbalans kon ontstaan doordat spaargeld werd uitgeleend aan schuldenaren en tegen de volledige waarde op de balans kon worden gezet. Toen bleek dat de schuldenaren niet meer konden betalen begin de kredietcrisis.

3. Consumenten en bedrijven sparen steeds meer

Een natuurlijke reflex van consumenten en bedrijven is om meer geld opzij te zetten voor onzekere tijden. Onderstaande grafiek laat zien dat landen als Spanje en Ierland voorafgaand aan de crisis heel veel geld leenden, wat mogelijk was door de spaarzame Duitsers. Sinds de crisis zijn ook deze landen veel meer gaan sparen op bedrijfsniveau en individueel niveau. Al dat geld staat op de bank of wordt weggezet in de meest liquide en veilig geachte asset die we staatsobligaties noemen.

Met de introductie van de euro kon dat spaargeld opeens veel makkelijker wegvloeien naar andere landen. Spaarders in Spanje die geen vertrouwen hebben in staatsobligaties van hun eigen overheid kunnen net zo makkelijk Nederlandse of Duitse staatsobligaties kopen die veiliger geacht worden. Het gevolg van deze omgekeerde kapitaalstroom is dat Duitsland nu extreem goedkoop haar schuld kan financieren, terwijl de PIIGS-landen naar verhouding juist wat extra moeten betalen op hun staatsobligaties.

4. Geldhoeveelheid VS tijdens de Grote Depressie

Onderstaande grafiek laat zien hoe de geldhoeveelheid in de VS kromp tijdens de Grote Depressie. In 1933 was er bijna een derde minder geld dan in 1929, simpelweg omdat de kredietkraan dichtgedraaid werd en iedereen met geld massaal zijn schulden probeerde af te lossen. Het netto aflossen van schulden verkleint de geldhoeveelheid en heeft dus een deflatoir effect, waardoor de omstandigheden het aanmoedigden om schulden af te blijven lossen en geen nieuw krediet af te nemen.

Er moest dus iets gedaan worden om de knellende en verwoestende deflatie onder controle te brengen. Toen kwam de New Deal, een grootschalig stimuleringsprogramma waarmee de overheid de vraaguitval van de consument overnam en nieuw krediet (geld) in de economie bracht.

De volledige video waarin deze grafieken worden besproken duurt iets meer dan 2 uur.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.