Bron: NU.nl

Op 17 maart gaan we naar de stembus. Om je te helpen bij je keuze maken we de balans op: hoe staat Nederland ervoor? Dit keer nemen we de woningmarkt onder de loep. Hoe hoog is de woningnood precies? En hoe erg is dat?

Ondanks de coronacrisis blijven de huizenprijzen maar stijgen. Kocht je in het jaar 2000 nog een gemiddeld huis voor iets meer dan 170.000 euro, kwam dat bedrag afgelopen december uit op ruim 330.000 euro.

Dat is lastig als je een huis wil kopen, maar door de hoge prijzen en beleidskeuzes van jaren geleden is het niet alleen dringen geblazen op de markt voor koopwoningen. Ook (sociale) huurwoningen zijn erg lastig te vinden.

En dat is te zien in de cijfers. Volgens berekeningen van onderzoeksbureau ABF is het woningtekort opgelopen tot 331.000 huizen. Dat tekort betekent niet alleen dat het voor mensen lastig is om te verhuizen, maar ook dat er daadwerkelijk mensen zonder dak zitten.

“Er zijn minstens 40.000 daklozen in Nederland”, zegt Peter Boelhouwer, hoogleraar Woningmarkt aan de TU Delft. “Een deel daarvan kiest daar zelf voor, maar er zitten ook economisch daklozen tussen. Daarnaast wonen ongeveer 60.000 mensen in woningsubstituten, zoals vakantiewoningen en caravans.”

En er zijn volgens Boelhouwer ook nog veel mensen die bij vrienden wonen en van bank tot bank zwerven, mensen die met meerdere gezinnen in één huis wonen, starters die nog thuis wonen en bijvoorbeeld mensen die na een scheiding niet apart kunnen wonen.

De woningnood is niet iets van alle tijden. Nog maar tien jaar geleden, tijdens de crisis, stonden er koopwoningen leeg, daalden de huizenprijzen en moesten woningcoöperaties zelfs sociale huurwoningen verkopen omdat er op dat moment te veel van waren.

“De vraag is rekbaar en elastisch”, zegt woningmarktexpert Paul de Vries van het Kadaster daarover. “Je zoekt een woning als je mogelijkheden ziet om die woning zelf te kunnen betalen. Dat was tijdens de crisis voor veel minder mensen zo.” Maar de afgelopen jaren ging het economisch goed en daalde de hypotheekrente, waardoor mensen makkelijker een huis konden kopen.

Toch zijn dat niet de enige oorzaken van de woningnood. Volgens Boelhouwer speelt bijvoorbeeld ook mee dat we in de crisis minder huizen zijn gaan bouwen en weinig nieuwe bouwlocaties hebben ontwikkeld. “Dat zie je nu nog terug in het dalende aantal bouwvergunningen.”

Daarnaast is de migratie in de afgelopen jaren een stuk hoger dan bijvoorbeeld tijdens de crisis, blijven ouderen langer thuis wonen en worden huishoudens steeds kleiner. We hebben dus ieder jaar meer huizen nodig, maar er worden er minder opgeleverd dan voor de crisis.

Niet alleen Nederland worstelt met woningnood, dit probleem speelt ook in omringende landen. In de hele EU heeft 4,3 procent van de bevolking te maken met ernstige woningnood, blijkt uit cijfers van Eurostat uit 2018. In datzelfde jaar woonde 17,1 procent van de EU-inwoners in een overbezette woning.

Als je kijkt naar het deel van het inkomen dat mensen uitgeven aan wonen, staat Griekenland er het slechtst voor. Daar geeft 39,5 procent van de inwoners 40 procent of meer van het besteedbaar inkomen aan wonen uit. Bulgarije, Denemarken en Duitsland volgen met percentages rond de 15. In Nederland geeft 9,4 procent van de inwoners bovenmatig veel uit aan wonen.

“Vooral in steden wordt flink geworsteld met woningnood”, zegt Boelhouwer. “In bijvoorbeeld München en Frankfurt, maar ook in Londen en Parijs. Het grote verschil is dat in Nederland slecht beleid is gevoerd tijdens de crisis. We hebben onszelf echt in de vingers gesneden door minder te bouwen en geen nieuwe locaties te ontwikkelen.”

Gelukkig bestaat er een oplossing voor de woningnood, zegt De Vries.“Uiteindelijk is het een kwestie van bouwen. We hebben een doelstelling om 75.000 huizen per jaar toe te voegen aan de markt, en als we dat halen, zou dat wat druk weg moeten nemen.”

Maar op dit moment laten we aan de markt over wat voor woningen er gebouwd worden. Door slimmer te bouwen, kun je een grotere keten van verhuizingen op gang brengen, waardoor meer mensen op de plek kunnen wonen waar ze willen wonen. De Vries: “Als je een dure woning bouwt, verhuizen daar mensen naartoe vanuit een iets minder dure woning, die dan weer vrijkomt. De kunst is om dat treintje zo lang mogelijk te maken, maar dat vereist planning.”

Ook Boelhouwer heeft nog een oplossing. “We moeten wat creatiever zijn met tijdelijke woningen. Als je een tijdelijke woning neerzet, mag die met minder strenge regels dan permanente bouw ergens vijftien jaar blijven staan. Dat kunnen volwaardige woningen zijn, maar gemeenten zijn heel terughoudend met het weggeven van locaties hiervoor.” We mogen dus best wat minder conservatief zijn, vindt Boelhouwer.