In 1944 werd er door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in de nadagen van de Tweede Wereld Oorlog in Bretton Woods een nieuw monetair systeem gesmeed. Het systeem waarin de dollar en de pond een centrale rol kregen kon zonder tegenstand van de voor vrijheid afhankelijke West-Europese mogendheden worden opgelegd. De pond kon de centrale rol na de oorlog niet waarmaken en de dollar werd de enige wereldreservemunt. Bretton-Woods werd niet een nieuwe goudstandaard maar een monetair systeem met een rol voor goud. Er werd vastgesteld dat elke valuta met een vaste wisselkoers aan de dollar gekoppeld werd en de dollar was voor $35 per troy ounce goud inwisselbaar bij de Federal Reserve. Binnen het systeem moesten landen en in het bijzonder hun centrale banken er alles aan doen om de vaste wisselkoersen ten opzicht van de dollar vast te houden. Dit moesten de centrale banken doen door interventies op de kapitaalmarkten. Als een land moeite had de vaste wisselkoers vast te houden was het hiervoor opgerichte Inteationaal Monetair Fonds (IMF) een oplossing.
De economische welvaart en het vertrouwen in de VS die de jaren na de Tweede Wereld Oorlog kenmerkte zorgde ervoor dat Bretton-Woods naar behoren functioneerde. De jaren '60 brachten hier echter veranderingen in. De langdurige Vietnam oorlog en de tekorten die de Verenigde Staten mede hierdoor opliepen zaagde aan het vertrouwen in de VS en de dollar. De marktprijs van goud begon te stijgen en landen zoals Frankrijk en Nederland begonnen hun dollarreserves om te wisselen voor goud. Uiteindelijk reageerde president van de VS, Richard Nixon, hier in 1971 op door de inwisselbaarheid van dollars voor goud te sluiten. Op deze manier liet Nixon in één klap het fundament van het inteationale monetaire systeem verdwijnen en werd de deur tot restrictie-loze geldschepping geopend. 
Goud maakte na 1971 officieel geen deel meer uit van het inteationale monetaire systeem maar in de tweede helf van de jaren '70 maakte goud zijn rol als veilige vluchthaven waar. Tot begin jaren '80 gingen financiële onrust en de sterk stijgende inflatie hand in hand met een stijgende goudprijs. 
Toch werd met het begin van de jaren '80 ook een rustige periode voor goud ingeluid. De toenmalige directeur van de Federal Reserve, Paul Volcker, herstelde het vertrouwen in de dollar door onder andere de rente sterk te verhogen. De inflatie daalde en de dollar werd in de perceptie van de wereld tijdens de jaren '80 en '90 weer “as good as gold”.
Sinds 2001 lijkt goud echter langzaam haar natuurlijke rol binnen het inteationale monetaire systeem op te eisen. Een inteetcrisis, eindeloze oorlogen, oplopende tekorten en een buitensporige schuldenlast waren al aanleiding tot een afname van het wereldwijde vertrouwen in de VS en de dollar. De kredietcrisis zette alles in een stroomversnelling. De VS heeft een schuld die bijna gelijk is aan haar BBP, Europa heeft een montair systeem dat niet crisis bestendig blijkt te zijn en het risico op een harde landing wordt voor China steeds groter. De goudprijs laat daarentgen vrijwel wekelijks nieuwe records zien en centrale banken zijn sinds 2010 voor het eerst in enkele decennia weer nette kopers van goud. Wellicht dat het papieren monetaire systeem slechts te maken heeft met een mid-life crisis. Alle aanwijzingen duiden er echter op dat het systeem met veertig jaar heel goed haar langste tijd zou kunnen hebben gehad.