De grote vraag die daarop volgt is wie zijn verlies moet nemen, want tegenover elke euro aan schuld staat ook een euro aan bezit. Voor elke schuld die wordt weggestreept gaat er ook bezit verloren, het probleem waar we in Europa nog steeds geen goede oplossing voor kunnen bedenken. Charles Hugh Smith, de auteur van het boek 'An Unconventional Guide to Investing in Troubled Times', zet de huidige problematiek helder uiteen.

Hij schat dat er in Europa voor ongeveer €3.000 miljard aan schulden in de boeken staat die waarschijnlijk nooit meer wordt terugbetaald. Dat betekent een strop van hetzelfde bedrag dat uiteindelijk verdeeld moet worden. Volgens Smith is het niet mogelijk om, zoals politici en economen dat soms stellen, uit deze crisis te groeien. ''Daarvoor zijn er teveel verkeerde investeringen gedaan en werden er teveel riskante leningen afgesloten.''

De tweede mogelijke oplossing, het 'herstructureren' van de schulden, wordt door Smith ook niet serieus genomen. Door schulden te herstructureren, bijvoorbeeld door een lagere rente af te spreken, daalt hun waarde. Doordat de oude waarde in de boeken blijft staan lijkt het probleem opgelost, totdat iemand geld nodig heeft en zijn schuldpapier moet aanbieden op de markt. Men zal dan ontdekken dat de marktwaarde veel lager ligt, waardoor het verlies toch moet worden genomen.

De derde uitweg voor onhoudbaar hoge staatsschulden is de geldpersfinanciering: de ECB drukt nieuw geld om daarmee obligaties op te kopen uit de markt. De problemen worden in dat geval eerst nog gemaskeerd, maar uiteindelijk zal de rekening aan iedere burger worden gepresenteerd in de vorm van inflatie. Een wiskundige vergelijking leert ons dat het uit het niets creëren van grote hoeveelheden nieuwe euro's de waarde van elke euro uiteindelijk met dezelfde omvang zal verkleinen. De geldpersfinanciering laat simpel gezegd iedereen opdragen voor de risico's die de kopers van staatsobligaties hebben genomen, de verliezen worden gesocialiseerd.

''De schulden die overheden maken worden uiteindelijk altijd door het publiek betaald'', aldus nobelprijswinnaar Thomas Sargent. Hij stelt dat de staatsschulden uiteindelijk worden afbetaald door de bevolking via ''belastingen, inflatie en/of het simpelweg nalaten van de betalingsverplichting (een default)''.

Het is de vraag wie de verliezen moet nemen, maar eigenlijk is het antwoord heel simpel. Banken, pensioenfondsen en beleggers die de staatsobligaties hebben gekocht kregen een rentevergoeding, dat ze compenseerde voor het risico. Ze hebben zelf de afweging gemaakt of de opbrengsten van de staatsobligaties in verhouding stonden tot de risico's die ze liepen. Nu blijkt dat de risico's erg groot waren moeten de bezitters van de staatsobligaties hun verlies nemen, want zij stonden al die jaren dat het goed ging immers ook aan de ontvangende kant.

Het is volgens Smith immoreel om onwetende burgers en bezitters van euro's te straffen voor risico's die andere partijen hebben genomen. ''Als ze niet hebben gedeeld in de winst horen ze ook niet te delen in het verlies'', zo redeneert Smith. Dat banken failliet gaan en dat pensioenfondsen en verzekeraars grote verliezen moeten incasseren is volgens Smith vervelend, maar noodzakelijk. Het huidige systeem is volgens hem corrupt, roofzuchtig en oneerlijk en zou daarom ook in moeten storten.

Smith concludeert dat we niet in een kapitalistisch en democratische maatschappij leven zo lang we de opbrengsten uit bezittingen loskoppelen van de risico's en de mogelijke verliezen kunnen afschuiven op het publiek. Het huidige systeem beschrijft Smith als een ''financieel fascistische tyrannie''.